

Route Nationale 138; op het eerste gezicht een doorgaande tweebaansweg zoals er ontelbare zijn in Frankrijk. Boomomzoomd, wat huizen langs de kant, een herberg, een garage, een meubelzaak. Die Routes Nationales hebben in Frankrijk, met zijn relatief nieuwe net van snelwegen, tot voor kort het leeuwendeel van het interlokale verkeer voor hun rekening genomen. Deze RN 138 verbindt Rouen met Tours via Le Mans en heeft nog maar pas vorig jaar zijn doorgaande rol moeten afstaan aan de nieuwe Autoroute A28 .
Via Le Mans? Is er dan toch meer aan de hand? In Les Hunaudières, het gehucht zoals ik boven omschreef, zie je op het tweede gezicht dat de weg wat breder is dan normaal en vooral dat er een driedubbele vangrail aan weerszijden staat. Dit is een Route Nationale, maar dit is vooral ook het wereldberoemde, kilometerslange rechte eind van het Circuit van de 24 Uur van Le Mans. Met mijn rug naar de bebouwing van Le Mans staand kijk in de rijrichting van circuit het rechte einde af in de richting van het dorp Mulsanne, waar het circuit via de Route Départementale 140 rechtsaf de weg inslaat naar het dorp Arnage. Heilige grond bijna en het is dit stuk asfalt in Frankrijk dat aan de wieg van de Ford GT 40 heeft gestaan.





Ik was hier al eerder, in 1990, maar nu hebben we de hele dag uitgetrokken om op het circuit en in het museum rond te kijken. Je kunt er over discussiëren, maar de drie meest prestigieuze races ter wereld worden al vele jaren gevormd door de Indianapolis 500, de F1 Grand Prix te Monaco en de 24 uur van Le Mans. In welke volgorde dan ook.
De Automobile Club de l’Ouest (ACO) organiseerde, nadat men in 1906 op een ander traject al de eerste race vanuit Le Mans had gehouden, in 1923 de eerste 24 uurs race die ook grofweg het huidige traject volgde. Grofweg, want sindsdien is het parcours 7 keer aangepast. Kleinere maar ook grotere aanpassingen. Begonnen als volledig wegcircuit bestaat nu nog ongeveer 10 kilometer van het parcours uit openbare weg en de rest uit “echt” circuit. De status van “Les 24 Heures du Mans” werd snel groter en al in de vijftiger jaren van de vorige eeuw gold de race als één van de belangrijkste ter wereld. In 1955 werd de 24 Heures getroffen door een ramp die het autoracen wereldwijd voor altijd zou veranderen. Mercedes rijder Pierre Levegh (Mercedes was zeer succesvol, Stirling Moss had net in een recordtijd de Mille Miglia met Mercedes gewonnen) lanceerde zijn auto in het publiek. Leider en latere winnaar Mike Hawthorn (met Jaguar) dook op laatste moment de pits in waardoor Austin-Healey rijder Lance Macklin moest uitwijken. Levegh klapte op de Austin-Healey en zijn Mercedes werd brandend het publiek in gekatapulteerd. Met als resultaat 86 overleden toeschouwers en een veelvoud aan gewonden. Ook Levegh overleefde het niet. Mercedes trok zich inmiddelijk terug uit de race en uit de autosport; het zou meer dan 40 jaar duren voor Mercedes zijn rentree zou maken. Maar ook Zwitserland verbood direct alle vormen van autosport. Wereldwijd werden circuits aangepast en zo ook Le Mans. Een tweede aanpassing met ingrijpende gevolgen vond in 1990 plaats. De FIA verplichte de AOC tot de aanleg van twee chicanes op het vijf kilometer lange recht einde van Les Hunaudières. Het enorm lange rechte eind stelde de auto’s in staat ongehoorde snelheden te halen, met alle risico’s vandien. De hoogste snelheid is gemeten in 1988: 405 km/u door een Peugeot. Gek genoeg vonden de meeste coureurs het lange rechte eind wel prettig: het gaf even “rust”.
Terug naar de GT40. Enzo Ferrari, die als constructeur eigenlijk alleen wegauto’s bouwde om zijn raceauto’s te kunnen laten rijden, kon het begin zestiger jaren niet meer zelfstandig bolwerken. Hij zocht steun van een grote fabrikant en raakte in 1963 zeer serieus in gesprek met Ford. Zo serieus dat hij Henry Ford had overtuigd dat de deal rond zou komen. De sluwe en chauvinistische Enzo had Ford echter alleen misbruikt om de belangstelling van FIAT te wekken en hij slaagde in zijn opzet: op het allerlaatste moment sprong de deal met Ford af en werd Ferrari door FIAT overgenomen. Henry was furieus en verklaarde Ferrari te zullen verslaan op de plek waar dat het meest pijn deed: het circuit. En meer precies: Le Mans, waar Ferrari van 1960 tot en met 1965 onafgebroken triomfeerde. Het lukte niet gelijk met de GT40, maar uiteindelijk wel in 1966. En de jaren 1967, 1968 en 1969. Een unieke auto dus, die GT40, die zelfs voor het verschijnen van de moderne Ford GT door velen als de mooiste (race-)auto ter wereld wordt beschouwd. Die nieuwe GT versterkt dat beeld alleen maar. Het museum in Le Mans heeft chassisnummer 1020 staan, de auto die in 1967 werd ingezet voor Henri Greder en Pierre Dumay door Ford Frankrijk. Wat een prachtige auto!




Hieronder nog meer foto’s van circuit en museum. Die N138 heeft twee nieuwerwetse rotondes voor het normale verkeer gekregen, maar die zijn van de baan weggehaald, waardoor het circuit daar rechtdoor loopt; de twee chicanes maken juist weer geen deel uit van de N138.









Tot slot I: ik weet dat op 7, 8 en 9 juli LeMans Classic gehouden is. Andere gezinsbezigheden belemmerden het bezoeken daarvan en dat is natuurlijk jammer. Toch heb ik me op 25 juli ook goed vermaakt hier. Het al jaren sluimerende verlangen om Les 24 Heures in het echt bij te wonen moet gewoon nog een keer vervuld worden. En in 2008 Le Mans Classic…
Tot slot II: toeval bestaat niet, zegt men wel eens. Ik ga me er niet aan wagen om te verklaren of dat klopt of niet klopt, maar: anderhalve week eerder was ik in het zuiden van Frankrijk op een vide-grenier (rommelmarkt) en daar trof ik een Bang 1:43 model aan van een 1968 GT40. De winnnaar van Le Mans dat jaar, gereden door Pedro Rodriguez en Lucien Bianchi. Een mooi model, in mijn favoriete Gulf kleuren, dus die staat nu in Schiedam…

Even ernstig off-topic voor de Belgische lezers: die Lucien Bianchi kon werkelijk alles. Hij was succesvol in rally’s, in touringcars, sportscars en in de F1. In 1968 bijvoorbeeld won hij behalve Le Mans ook Watkins Glen met de GT40, werd hij derde inde Targa Florio op Sicilië, reed hij diverse Grand Prix’s – derde plaats in Monaco – en was hij virtueel winnaar van de London – Sydney Marathon. Virtueel, want na 10.000 kilometer kwam hij in leidende positie op nog maar 160 kilometer van het einde in botsing met de auto van een dronken toeschouwer, op een proef die afgesloten had moeten zijn. Ik was toen nog erg jong – 9 jaar – maar die foto met Bianchi in het wrak van de Citroën heb ik nooit vergeten. Hoewel zwaar gewond herstelde hij, maar in maart 1969 was zijn einde definitief: tijdens testen voor Le Mans raakte zijn auto op het lange rechte eind van Les Hunaudières van de weg. De klap tegen een telegraafpaal werd Bianchi fataal.
Tot slot III: ik ga de film “Le Mans”van Steve Mcqueen weer opduikelen….

Marc